Preek Jos Brink, 27 oktober 2002
Download de preek in PDF-formaat

Lezingen Exodus 22, 20-26, Matteüs 22, 34-40


In mijn jeugd speelden jongens met mecano- of timmerdozen, als ze tenminste niet voetbalden, en meisjes met poppen en een winkeltje. Zo hoorde dat. Mijn ouders waren echter verstandige opvoeders, want ik mocht mijzelve best onledig houden met het winkeltje van mijn buurmeisje. Voor mij ging daar iets fascinerends van uit: piepkleine trommeltjes (alles was vlak na de oorlog immers los in de verkoop, als er tenminste iets te verkopen was), een pietepeuterig schepje en een heus weegschaaltje. Daar kon je dan drie bonen op afwegen, of tien gram havermout. Ik was een secure winkelier en een bazig buurjongetje, want ik dwong mijn vriendinnetje telkenmale tot boodschappen doen, zodat zij dikwijls wenend vier groene erwten bestelde.

Voor mij een dierbare herinnering aan de tijd dat de jongenskiel mij nog om de tengere schouders gleed. En het was natuurlijk een fraaie voorbereiding op het bittere bestaan dat nu eenmaal elke volwassene wacht: Er komt onverbiddelijk een periode waarin je kansen moet afwegen en je te maken hebt met het gewicht van personen en zaken. Wij houden de weegschaal nauwlettend in de gaten. Zodat we dat ook doen in winkels waar digitale instrumenten aangeven of we het volle pond krijgen. De romantiek is eraf. Elke grammetje meer of minder gaat computergestuurd samen met de ingetikte prijs. Vroeger was dat wel anders ! Dan stond je gewoon de winkelier méé te wegen: is hij wel gul genoeg ! Staat hij niet eindeloos te rommelen met een flintertje meer of minder, om exact op het juiste gewicht uit te komen ? Krenterig vonden we dat.
Overgewicht, een streepje méér, hoorde bij het winkelverkeer, de vereiste hoeveelheid moest ruim naar boven worden afgerond, zonder extra betaling en dat de kwaliteit van de waren eersteklas was, dat sprak vanzelf.

In het leven gaat het ook om kwaliteit en gewicht. Dat geldt voor de kerk, dat geldt voor ons. Want je hoopt toch maar dat je aan het eind van je bestaan hier op aarde niet te licht wordt bevonden. Heb je God bemind met geheel je hart, geheel je ziel en geheel je verstand ? O vast. Maar heb je ook de onvermijdelijke consequentie aanvaard: de naaste liefhebben gelijk jezelf ? Heb je de vreemdeling goed behandeld, heb je geen rente geëist van je weldaden ? Heb je gezegd: hier is je mantel terug, jij hebt hem harder nodig dan ik ? Jezus zei ooit tegen zijn leerlingen ‘dat Hij zou komen in de heerlijkheid van zijn Vader en dan ieder zal vergelden naar zijn daden…..’

Deze afweging komen wij op verschillende plaatsen in de Bijbel tegen. Dat oordeel, aan het eind van ons leven. En dat leven moet er op worden afgestemd. God beminnen met geheel je hart enzovoorts, je naaste liefhebben, de vreemdeling het leven niet moeilijk maken, ga er maar aan staan. En je mag gelukkig ook van jezelf houden. Natuurlijk, want je bent geschapen naar Gods beeld en gelijkenis.
Alzo zijn we, om in de metafoor van het winkeltje te blijven, verplicht om blijde boodschappen te doen, willen wij ons tenminste een volgeling noemen van Jezus van Nazareth, die nog groter is dan Albert Heyn en die ècht op de kleintjes past. Je moet in dit leven je loodzware boodschappentas meezeulen totdat je thuis bent, in het Huis jouws Vaders. En dan uitpakken: kijk eens God wat ik heb meegebracht ……

Maar wat nou als je maar een gewoon mens bent. Als je God soms eens niet bemint met geheel je hart en geheel je ziel en geheel je verstand ? Als je je naaste met recht en reden even niet kunt luchten of zien ? Of wanneer die vreemdeling je fiets heeft gejat ? Wat moet je met dat eerste gebod en het tweede dat er aan gelijk is, wanneer je op de weegschaal van je leven de loodzware gewichten aantreft van zorg en kommer, ziekte, dood, eenzaamheid, armoede, noem maar op ?

Wat nu wanneer je zo zwaar bezocht wordt dat je twijfelt aan God ? Dat je je afvraagt of er überhaupt wel een God is, een Eeuwige die synoniem heet te zijn aan liefde, barmhartigheid en genade ?

Wat valt er voor een gewoon mens nog te doen aan kwaliteitsbewaking wanneer je door de tranen in je ogen de bemoediging van het evangelie niet eens meer kunt lezen ?
Wat moeten mensen die het uitschreeuwen van verdriet om ziekte of dood, om een verbroken relatie, of op het spreekuur van de dokter waar zij te horen krijgen dat die toonbank met die weegschaal dichterbij is dan gedacht werd ?
Wat moeten mensen die altijd maar alléén die boodschappentas moeten dragen ? En zo moe zijn dat zij niet meer aan God beminnen en naasten liefhebben toekomen ?
Moeten zij dan toch roepen dat God goed is ? Dat het Gods wil is waar niet aan te tornen valt ? Moeten zij het vaak onmenselijke lijden zien als een soort goddelijke stimulans ter bevordering van de geestelijke groei ? Die mensen roepen, net als de profeet Jeremia: ik ben bezweken, ik kan niet meer. God zoekt het maar uit, dat moet ik ook doen. En Jezus zoekt het maar uit: de Heren worden bedankt. En toch…. In de bijbel is het nooit of – of . Het is altijd en – en. Het Nieuwe Testament zegt altijd: en tòch…..
Er zijn mensen die desondanks Jezus volgen, al is het maar tot het eind van hun eigen straatje, omdat ze niet verder kunnen en ook niet verder hoeven. Die zich, ondanks alles, toch dicht bij het vuur weten, dat ze in hun wanhoop misschien niet kunnen zien, maar tenminste nog proberen te voelen. Die hun goede daden doen en hun goede dingen denken zonder die op een goudschaaltje te leggen, zonder een wissel op de hemel te trekken.

Mijn moeder heeft mijn vader veertien jaar verpleegd. Een lieve, leuke man, maar geen makkelijke patient. En toch.
Ik ken een jongen die dood- en doodziek is. Zó ziek dat je zou zeggen: wat een vernedering dat de dood maar niet aanklopt. Hij leeft door omdat er anderen zijn om voor door te leven. Hij wil persé: hij wil en zal verder. Leve het leven.
Ik ken een vrouw die als jong meisje iemand zag sterven, terwijl niemand zich daar iets van aantrok. Zij liet haar eigen toekomst voor wat het was en wijdde zich aan die van anderen.
Ik ken iemand die het niet breed heeft, zeg maar gewoon àrm is, en van niets zoveel weet weg te geven, dat je je kapot schaamt over je gemopper dat de Euro het leven zo duur maakt.
En dan kun je wel zeggen: dat zijn extreme gevallen ! Er zijn legio mensen die zwijnen in dit bestaan. Met dikke buiken, dikke portefeuilles en dikke Bentleys. Maar is dat zo ?
Wat wegen we af bij elkaar ? Sommige mensen zijn nu eenmaal niet los in de verkoop. En kun je zomaar door de verpakking heenkijken ? Ik heb ooit op de middelbare school mijn leraar wiskunde nogal dwarsgezeten. De man had Auschwitz. Ik wist dat niet.
Wij kunnen de kwaliteit van anderen niet altijd bepalen. een juiste afweging is vaak onmogelijk. Alleen met jezelf weet je war je aan toe ben. Kun je verder.

En wat doen wij maar al te vaak ? Wij geven liever niet meer van onszelf dan er gevraagd wordt. Wij wegen precies tot het streepje, het exacte getalletje. Wij geven geen overgewicht, omdat we menen daar zelf minder van te worden. We hebben het al moeilijk genoeg en je hoeft het lijden nou ook weer niet te koesteren, hè ?
Jezus koesterde zijn leden ook niet. Hij aanvaardde het wèl. Omdat er niets anders opzat. Hij koesterde zijn roeping, trouw aan zijn Vader en daarmee aan de minste mens.
Dat is dus wat er van je wordt gevraagd. Om met uiterste wilsinspanning de rotzooi achter je te laten, de baas te worden, jezelf te verliezen, dienstbaar te zijn aan het leven van anderen en daarmee en daardoor aan jezelf. Omdat je geroepen wordt dat te doen. Zo ben je bezig met God en bezig zoals God.
Of je nu groots of meeslepend leeft, of klein en in het verborgene, het gaat nooit om de kwantiteit. Soms zijn drie banen en is 10 gram havermout voldoende als leeftocht, waar het gaat om jouzelf !
God kijkt uiteindelijk naar wie het afweegt.
Maar Hij zal van harte knikken als je Hem vraagt: ‘Mag het ietsje meer zijn ?’
Amen
Download de preek in PDF-formaat